Verzamelde romans en verhalen van Lin Scholte

Met de publicatie van Verzamelde romans en verhalen van Lin Scholte heeft Stichting Tong Tong het werk van Lin Scholte weer eenvoudig bereikbaar gemaakt voor een hedendaags publiek. Vilan van de Loo schreef een biografische inleiding, verzamelde mooie privéfoto’s en ontdekte een onuitgegeven manuscript van Lin Scholte in het Letterkundig Museum.

Lin Scholte (1921–1997) is een belangrijke schrijfster voor de Nederlandse letterkunde. Als een van de weinigen beschreef zij met groot oog voor detail het leven in de tangsi (kazerne) in Nederlands-Indië, waar KNIL-militairen dikwijls samenleefden met hun Indonesische vrouw en hun kinderen. Zij schreef hierover in haar door Rob Nieuwenhuys en vele anderen bejubelde debuut Anak Kompenie. In later werk schreef Lin Scholte met diezelfde precisie over de oorlog in Indië, de bersiap en het ontstaan van de republiek Indonesië.

In al haar boeken klinkt luid en duidelijk de stem van de Indische vertelster door, die intens betrokken is bij haar drie werelden: de Indische, de Javaanse en de Hollandse. Op overtuigende wijze weet Lin Scholte de lezer deelgenoot te maken van haar leven.

Met de nieuwe boekuitgave van Stichting Tong Tong zijn de drie belangrijke romans van Lin Scholte weer verkrijgbaar: Anak Kompenie (1965), Bibi Koetis voor altijd (1974) en Takdiran en andere verhalen (1977). In dezelfde band is ook een nooit eerder gepubliceerd verhaal opgenomen: Fientje de Feniks. Hierin schetst Lin Scholte de geschiedenis van een Indisch meisje dat aan het begin van de twintigste eeuw, na een ongelukkige liefdesgeschiedenis, in Batavia werd vermoord. Samensteller Vilan van de Loo leidt het verzameld werk in met een biografische schets.

Verzamelde romans en verhalen van Lin Scholte
Met een biografische inleiding door Vilan van de Loo
576 pagina’s incl. fotokatern
ISBN 978–90–78847–02–1
Prijs € 15,-. Sobatprijs € 13,50

Eerste bladzijde Anak kompenie:

ANAK KOLONG

Ze moet acht of tien jaar oud zijn geweest de kleine Djemini, toen ze tussen de andere nontonners in stond te dringen voor de beste plaats om te kunnen kijken naar de feestende ‘wong-londo’ in Surabaia’s Stadstuin, waar juist Matiné Dansant werd gegeven. Dat ze eigenlijk op pasar Turi moest zijn voor haar moeders boodschappen, och, moeders wachten wel. De tètterende muziek en ramee-ramee in die Stadstuin was zoveel meer opwindend voor een kleine gendoh die zich de tijd nam.

Djemini kreeg meer slaag dan eten, waardoor ze schriel en ondermaats was gebleven. Het eerste kwam door haar ‘bradjak-natuur’ en ondeugende streken en aan het tweede konden zij, noch haar ouders iets doen. Het soldij van een Inheemse militair bedroeg in het begin van deze eeuw ook maar een kwartje per dag; of hij nu één kind had om te voeden en te kleden, of wel een talrijk kroost.
Trots in zijn uniform marcheerde hij barrevoets mee met zijn blanke wapenbroeders. En Djemini’s vader was militair, die met zijn gezin in tangsi Sulung was ondergebracht. Djemini was dus een ‘anak kolong’, zoals alle tangsikinderen werden genoemd.
Oorspronkelijk was dit als een scheld- en spotnaam bedoeld, later werd het een ere-naam die met trots werd gedragen toen de vaders terugkwamen uit de ‘oorlogen’: Bone, Bali, Lombok en Atjeh. Al dan niet onderscheiden met ordetekenen voor moed, beleid en trouw. De glans der vaders die als helden werden vereerd bij hun terugkomst van ‘perang-sabrang’, straalde af op hun kinderen, die buiten de tangsi’s zo mogelijk nog meer de branie gingen uithangen. Van de anak kolong was bekend dat er beter mee te eten was dan te vechten. Ze waren vermetel, fel en gevat.
De tangsi was het militaire kampement waar soldaten-manschappen, korporaals en soms onderofficieren van het ‘Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger’ in waren ondergebracht. De Inheemse militairen woonden er apart in chambrees met hun gezinnen. Evenals de ‘budjangs’ of vrijgezellen.

Comments are closed.